De wasmand is geen facking decoratiestuk!

Ergens in mijn opvoeding moet iets gruwelijk mis zijn gegaan. Ik heb kinderen grootgebracht. Allemaal voorzien van voedsel, kleding, onderdak, onderwijs en een behoorlijke hoeveelheid ongevraagd advies. Ik heb ze leren lopen, praten, fietsen, hun reet afvegen en, met wisselend succes, hun hersenen gebruiken. Maar blijkbaar ben ik één cruciaal onderdeel van hun opvoeding vergeten.

De fucking wasmand.

Dat mysterieuze object dat al jaren in onze badkamer staat en door mijn kinderen kennelijk wordt beschouwd als een archeologische vondst waarvan de functie nog niet is vastgesteld. Ze zijn inmiddels op een leeftijd waarop je een bedrijf kunt runnen, kinderen kunt verwekken, belasting moet betalen en in sommige landen zelfs president kunt worden. Maar een gedragen onderbroek in een wasmand mikken? Daarvoor moet je blijkbaar minimaal een universitaire opleiding hebben afgerond. En geloof me: het ligt niet aan hun motoriek. Ze kunnen met chirurgische precisie een telefoon bedienen, ingewikkelde games spelen en binnen drie seconden ontdekken dat ik hun favoriete shirt in de verkeerde kast heb gelegd. Maar een sok oppakken en die vijftig centimeter verderop in een mand gooien? Misschien moet ik er een app voor ontwikkelen. Met beloningen, levels en een virtuele kutmedaille voor iedere onderbroek die daadwerkelijk zijn bestemming bereikt.

Mijn huis is geen woning meer. Het is een illegaal textielverwerkingsbedrijf zonder vergunning, zonder personeel en vooral zonder enig uitzicht op verbetering. Overal ligt kleding. Op de badkamervloer. In de slaapkamers. Op stoelen. Op de bank. Naast het bed. Onder het bed. En op plekken waarvan ik niet eens wist dat je er een kledingstuk kon achterlaten. Eén van mijn kinderen heeft besloten dat een kledingkast een achterhaald concept is. De vloer functioneert prima als opslagruimte. Waarom zou je kleding ophangen als je die ook gewoon over een oppervlakte van twaalf vierkante meter kunt verspreiden? Het is een soort walk-incloset, maar dan zonder closet. En zonder walk, want je breekt je nek over de zooi. Het mooie is dat er blijkbaar ook een volkomen eigen classificatiesysteem wordt gehanteerd. Een spijkerbroek die drie dagen op de vloer ligt, is nog schoon. Een shirt dat één keer gedragen is, moet onmiddellijk gewassen worden. En een handdoek die na het douchen op de grond belandt, is vanaf dat moment officieel mijn verantwoordelijkheid.

Ik vermoed dat er ergens een ernstig misverstand bestaat over het begrip huishoudelijke dienstverlening. En dan hebben we ook nog een hond en katten. Die beschouwen die verspreid liggende kledingstukken als uitnodigingen om er eens lekker bovenop te gaan liggen.

Dus wat ooit een schoon shirt was, verandert binnen een paar uur in een draagbaar draagbaar tapijt van dierenhaar.

De wasmachine heeft meer draaiuren dan een Boeing 747. In dit huis wordt dagelijks uitgebreid gedoucht. Eén van mijn kinderen vindt bovendien dat het beddengoed iedere dag verschoond moet worden. Iedere. Godvergeten. Dag. Ik weet niet precies waar die gewoonte vandaan komt. Misschien denkt het betreffende kind dat het in het Hilton woont. Misschien is er ooit een documentaire gezien over bacteriën en is het sindsdien volledig doorgeslagen.

Of misschien is er gewoon iemand van mening dat moeder nog niet genoeg te doen heeft. Het zal dat laatste wel zijn. Feit is dat mijn wasmachine nooit stilstaat. Mijn droger evenmin. Er bestaat hier geen lege wasmand. Sterker nog: als ik er ooit eentje zou aantreffen, zou ik waarschijnlijk onmiddellijk 112 bellen omdat er kennelijk een gezinslid is overleden. Ik was. Ik droog. Ik vouw. Ik ruim op. En zodra ik de laatste stapel heb weggewerkt, verschijnt er ergens in huis weer een nieuwe berg textiel.

Alsof mijn kinderen 's nachts een illegale kledingfabriek runnen.

Ik heb weleens overwogen om de elektriciteitsmeter naast de wasmachine te hangen en de kosten rechtstreeks van hun salaris af te trekken. Maar ik ben bang dat ze dan gewoon nóg meer kleding kopen. Want geld uitgeven kunnen ze uitstekend. Daar is geen opvoedkundige begeleiding voor nodig. Het meest fascinerende aan dit hele verschijnsel is dat mijn kinderen hun kleding moeiteloos kunnen laten verdwijnen. Ik heb hun kasten inmiddels omgedoopt tot de Bermudadriehoek. Ik leg er keurig gevouwen kleding in en vervolgens verdwijnt die spoorloos. Tot het moment waarop er geroepen wordt:

'MAM! WAAR IS MIJN ZWARTE SHIRT?'

Welk zwarte shirt?

'JA, DIE ENE!'

O, die ene. Natuurlijk. Want van de ongeveer achttien zwarte shirts die je bezit, weet ik onmiddellijk welke je bedoelt. Dan volgt er meestal een beschrijving die ongeveer even nuttig is als een signalement van een vermiste mier. 'Die zwarte met dat dingetje erop. 'En als ik het shirt niet binnen dertig seconden weet te produceren, krijg ik de blik. Die blik waarmee ze mij duidelijk maken dat ik persoonlijk verantwoordelijk ben voor het verdwijnen van hun complete garderobe. Alsof ik 's nachts stiekem hun kasten leegroof om op Marktplaats een lucratieve handel in gedragen T-shirts te beginnen. Ik vermoed dat Houdini bij ons thuis nog iets had kunnen leren. Het enige verschil is dat Houdini zijn spullen waarschijnlijk zelf weer terugvond.

Da hele huishoudelijk werk is inmiddels een dagtaak. Als je het doet, ziet geen hond het. Als je het één keer niet doet, stort de complete beschaving in.

Laat ik een dag de keuken voor wat hij is, dan verandert het aanrecht in een archeologische vindplaats waar waarschijnlijk nog een onbekende bacteriesoort ontdekt kan worden. Laat ik schoenen staan waar ze zijn uitgetrokken, dan moet je een hindernisparcours afleggen om de voordeur te bereiken. Jassen hangen bij ons trouwens ook niet aan een kapstok. Nee, die worden over stoelen gedrapeerd alsof we in een restaurant zitten waar de garderobedame zojuist ontslag heeft genomen. En dan zijn er nog de glazen. Overal glazen. Soms vraag ik me af of mijn kinderen stiekem een cateringbedrijf runnen. Ik kan 's ochtends de hele vaatwasser leegmaken en 's avonds staan er alweer genoeg glazen verspreid door het huis om een middelgroot trouwfeest van drank te voorzien. Niemand weet hoe ze daar komen. Niemand heeft ze gebruikt. En niemand is verantwoordelijk. Misschien hebben we een klopgeest. Een alcoholische klopgeest met een chronisch tekort aan schone glazen.

Natuurlijk heb ik geprobeerd om het anders aan te pakken. Ik heb vriendelijk gevraagd. Ik heb minder vriendelijk gevraagd. Ik heb gedreigd. Ik heb gevloekt. Ik heb uitgelegd dat ik hun moeder ben en niet een of andere onbetaalde kutknecht die toevallig ook nog de huur betaalt. Ik heb aangekondigd dat ik alleen nog wasgoed zou wassen dat daadwerkelijk in de wasmand lag. Dat leek mij een volkomen redelijke afspraak. De eerste dagen ging het uitstekend. Voor mij dan. Totdat er na een week of twee de kamers open gingen. Er was geen schone kleding meer. De situatie was inmiddels volledig uit de hand gelopen en de hoeveelheid was die zich had opgehoopt, was ongeveer gelijk aan de jaarlijkse textielproductie van Bangladesh. En dan sta je voor een keuze. Je kunt principieel blijven en wachten tot iemand zelfstandig ontdekt hoe een wasmachine werkt. Of je kunt die berg aanpakken voordat hij een eigen postcode krijgt.

Drie keer raden wat ik deed. Precies. En daarmee heb ik opnieuw bewezen dat ik pedagogisch gezien misschien niet helemaal geschikt ben om volwassenen op te voeden. Of misschien ben ik gewoon net zo achterlijk als zij, omdat ik iedere keer opnieuw in dezelfde val trap.

Wat ik werkelijk fascinerend vind, is dat mijn kinderen buitenshuis schijnbaar beschikken over een normaal functionerend stel hersenen. Ze kunnen werken, reizen, hun geld over de balk smijten en met hun telefoon ongeveer de complete wereld besturen. Maar zodra ze thuis over de drempel stappen, verandert hun IQ in dat van een halfleeg pak vla. Dan staan er ineens hulpbehoevende randdebielen in mijn woonkamer die geen flauw benul hebben waar de schone handdoeken liggen, hoe een vaatwasser werkt of wat je in godsnaam met een lege wc-rol moet doen. Het is een wonder dat ze zelfstandig kunnen ademhalen zonder dat ik ze eraan herinner. En het mooiste? Ze kijken mij aan alsof ík de achterlijke ben wanneer ik vraag of ze misschien, heel misschien, hun eigen teringzooi willen opruimen. Blijkbaar is zelfstandigheid een vaardigheid die bij binnenkomst onmiddellijk wordt uitgeschakeld. Buiten de deur: volwassen mensen met verantwoordelijkheden. Binnen de deur: wandelende storingen in de evolutie, met een abonnement op gratis huishoudelijke dienstverlening. En ik? Ik ben de debiel die het allemaal blijft oplossen. Misschien ben ik dus niet moeder geworden. Misschien heb ik gewoon een levenslang abonnement op gezeik afgesloten. Zonder opzegmogelijkheid. En met automatische verlenging.

Mensen die vragen wat je zoal doet op een dag. Nou, waar zal ik beginnen? Ik run een wasserette zonder openingstijden, een restaurant zonder menukaart, een schoonmaakbedrijf zonder personeel en een hondenuitlaatservice zonder vrije dagen.Daarnaast beheer ik een magazijn met vermiste kledingstukken, een schoenenopslag zonder registratiesysteem en een recyclingcentrum waar niemand ooit iets komt ophalen.Mijn klanten zijn bijzonder veeleisend.Als ik hun kleding per ongeluk verkeerd opvouw, krijg ik klachten.

Op beoordelingssites zou ik waarschijnlijk één ster krijgen omdat de service niet snel genoeg is………..'Moeder was vriendelijk, maar mijn favoriete hoodie lag niet op de gebruikelijke plek. Slechte ervaring. Kom hier nooit meer terug.'

Het gekke is dat ik wassen op zichzelf helemaal niet zo erg vind. Een machine aanzetten is de moeite niet. Was in de droger, opvouwen, klaar. Het probleem is dat het nooit klaar is. Er bestaat geen eindpunt. Geen moment waarop je voldaan kunt rondkijken en denken: zo, dat hebben we weer gehad. Want terwijl ik de ene was opvouw, staat er alweer iemand onder de douche. Terwijl ik de badkamer schoonmaak, laat iemand zijn kleding op de vloer vallen. Terwijl ik de bank vrijmaak van jassen, verschijnt er een nieuwe collectie. Het is een soort huishoudelijke versie van de mythe van Sisyphus.(Die arme man moest eeuwig een rotsblok een berg op duwen, waarna het weer naar beneden rolde). Ik heb een wasmand. Het verschil is dat mijn rotsblok ook nog vraagt waar zijn sokken zijn. En natuurlijk houd ik van mijn kinderen. Maar liefde betekent toch niet automatisch dat je tot aan je pensioen hun onderbroeken moet blijven verzamelen…..

Ik heb ze negen maanden gedragen. Daarna jarenlang gevoed, aangekleed, verzorgd, opgevoed en door allerlei levensfases heen geholpen.

Mijn laatste hoop: een cursus voor huishoudelijk zwakbegaafden

Ik overweeg inmiddels om een officiële introductiebijeenkomst te organiseren. Met koffie ( nou ja in hun geval Redbull), koekjes en een PowerPointpresentatie.

Titel: De wasmand. Een kennismaking met een onbekend huishoudelijk fenomeen.

Eerst behandel ik de basisprincipes. Wat is een wasmand? Waar staat een wasmand? Wat is het verschil tussen een wasmand en een badkamervloer?

Daarna volgt een praktijkoefening waarbij iedere deelnemer een gedragen sok krijgt en deze zelfstandig in de mand moet deponeren. Wie slaagt, ontvangt een certificaat. Bij voldoende belangstelling organiseer ik een vervolgcursus: De vaatwasser: hij bijt niet.

En voor gevorderden komt er misschien ooit nog een masterclass: Hoe hang je jas aan de kapstok. Al ben ik bang dat die laatste cursus te hoog gegrepen is. Misschien moet ik het niveau verlagen. Dit is een wasmand. Dit is een vloer. Dit is je moeder die er godverdomme helemaal klaar mee is.

En mocht ik ooit onverwacht overlijden, dan hoeven mijn kinderen zich geen zorgen te maken over de erfenis.

Ik laat ze ieder een wasmand na.

Met een gebruiksaanwijzing.

X Q

Share
Maak een gratis website.